Categorieën
Thema's

Thema VIII: criminele voorouders

Boefjes, misdadigers, moordenaars, kruimeldieven, we hebben deze zeker en vast allemaal wel een of meer tussen onze voorouders en familieleden. Niet direct iets om je voor te schamen, daar het leven vroeger soms uit bittere armoede bestond en je noodgedwongen was uit stelen of stropen te gaan om toch aan een beetje voedsel of haardhout te komen. Echter, het zijn niet alleen kleine boefjes die in vroeger tijden actief waren, ook veelplegers, roversbenden en moordenaars, zoals het bekende verhaal van “Goeie mie” en “De kop van Jut”, waren een gemene zaak indertijd.

Hoewel de organisatie van de tegenwoordige rechtspraak wellicht erg tot de verbeelding spreekt, was dit in vroeger tijden toch vaak anders geregeld, dan zoals ons dat nu bekend voorkomt. Instellingen en organen hadden andere namen, andere functies, een andere jurisdictie en werden ook op een andere wijze georganiseerd. Dit resulteert ook in verschillende soorten archiefstukken die bij diverse archiefbewaarplaatsen terecht zijn gekomen. In dit achtste thema zetten we de belangrijkste en meest interessante bronnen voor je uiteen waar je meer informatie over criminele voorouders kan vinden.

Ontwikkeling van de rechtspraak

Ter inleiding nemen we je kort mee in de geschiedenis van de rechtspraak in de Nederlanden. We beginnen in 1543 met de tijd van de Zeventien Provinciën, zo werden de Habsburgse Nederlanden in die tijd aangeduid. De Zeventien Provinciën waren destijds veel omvattend en besloegen niet alleen het huidige Nederland en België, maar ook Luxemburg en delen van wat nu Frans-Vlaanderen is. In die tijd was de rechtspraak al zo georganiseerd dat je onderaan de structuur de schepenbank had. Bij deze schepenbank werd door de schepenen, onder wie ook een voorzitter, recht gesproken inzake criminele en civiele zaken. Een schepenbank was vaak verantwoordelijk voor een klein aantal dorpen, die samen onder de rechtsmacht van deze schepenbank vielen.

Was je het niet eens met de uitspraak van de schepenbank, dan kon je in beroep gaan, ook appel genoemd, appelleren dus. Zo’n appel diende dan vaak voor een hoofdbank, die verantwoordelijk was voor een grotere regio, bijvoorbeeld de baronie van Breda of het markiezaat van Bergen op Zoom. Mocht deze rechterlijke uitspraak je alsnog niet bevallen, dan kon je bij een hoger beroepscollege in hoger beroep gaan. Elk graafschap of hertogdom had vaak zijn eigen hoger beroepscollege, bijvoorbeeld het Hof van Gelre, de Raad van Brabant (destijds nog te Brussel) of het Hof van Holland. Tot circa 1582 ging men “in cassatie”, zoals dat tegenwoordig heet, bij de Grote Raad van Mechelen, dat was de hoogste rechterlijke instantie die over jouw zaak kon beslissen.

De periode tussen 1581 en 1588 was een belangrijke periode in de geschiedenis van de Nederlanden, toen scheidden de Noordelijke Nederlanden zich van de Zuidelijke Nederlanden af en gingen zij vanaf 1588 de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden vormen. Ook op het gebied van rechtspraak betekende dit al snel een breuk met bepaalde rechtstradities. De Grote Raad van Mechelen bleef voor het overgrote deel van de Zuidelijke Nederlanden in functie. In de Noordelijke Nederlanden, de Republiek dus, werd de Grote Raad van Mechelen vervangen door Hoge Raad van Holland, Zeeland en West-Friesland. Echter, deze Hoge Raad werd alleen erkend door de gewesten Holland en Zeeland, de andere vijf gewesten voorzagen zelf in een hoogste rechtscollege.

Belangrijk om niet te vergeten, is dat men in de Republiek ook de zogenaamde Generaliteitslanden kende, die zelf geen zeggenschap hadden in de Staten-Generaal. Voor hen werd speciaal de Raad van Brabant, een afsplitsing van de Raad van Brabant in Brussel, opgericht, welke te Den Haag gevestigd was. Ter onderscheiding duidt men de Raad van Brabant in Brussel vanaf die periode ook wel aan als de “Soevereine Raad van Brabant”. De Raad van Brabant in de Republiek was een hoger beroepscollege voor de Generaliteitslanden, dus voor Staats-Vlaanderen, Staats-Brabant en Staat Overmaas, dat kleine delen van Zuid-Limburg omvatte. Deze juridische organisatie in de Republiek en de Zuidelijke Nederlanden zou nog zeker tot 1795 voortduren.

Met het jaar 1795 veranderde er veel voor de Zuidelijke Nederlanden, in die periode vaker aangeduid als de Oostenrijkse Nederlanden. Zij werden in dat jaar namelijk ingelijfd bij de Eerste Franse Republiek, waarmee er een einde kwam aan alle oude rechtstradities, nu daar de nieuwe Franse wetgeving van kracht werd. In de periode tot de inlijving bij Frankrijk in 1810 begon men in de Bataafse Republiek en later het Koninkrijk Holland onder Lodewijk Napoleon te experimenteren met eigen, Nederlandse, wetgeving, welke weliswaar in een zekere mate op dat van de Franse zuiderburen geënt was. Zo ontstond in de Bataafse Republiek ook al een zekere voorloper van onze huidige Staten-Generaal, de Eerste en Tweede Kamer tezamen.

Vanaf 1810 waren zowel het huidige Nederland als het huidige België onderdeel geworden van het Eerste Franse Keizerrijk, waar men de welbekende Napoleontische wetgeving invoerde. Op het gebied van het strafrecht waren de Code Pénal (Strafwetboek) en Code d’Instruction Criminelle (Strafproceswetboek) de meest belangrijke en ingrijpende wijzigingen. De Code Pénal werd in 1811 ingevoerd, maar werd in België in 1867 vervangen door het Strafwetboek en in Nederland in 1886 door het Wetboek van Strafrecht. De Code d’instruction Criminelle werd al in 1808 ingevoerd en is in België nog altijd van kracht. In Nederland echter, werd zij reeds in 1838 en later nogmaals in 1926 vervangen door het Wetboek van Strafvordering.

In het Koninkrijk der Nederlanden, dat in 1815 ontstond, schafte men het Hof van Assisen af, dat is een soort juryrechtbank voor de zwaarste criminele feiten. Het Koninkrijk België voerde deze in 1830 echter weer in, terwijl in Nederland tot op de dag van vandaag geen juryrechtspraak meer heeft bestaan. Het rechtscollege in Nederland dat over de zwaarste criminele feiten oordeelt, is de rechtbank en dan specifiek de sectie strafrecht. Dit soort zaken komt vrijwel altijd voor de zogeheten meervoudige kamer, waar drie rechters, waaronder een voorzitter, over de zaak in eerste aanleg zullen beslissen.

Rechtspraak voor 1795

De vonnissen van schepenbanken vindt men in Nederland bij de lokale en regionale archieven, deze worden ook wel aangeduid als stadsarchief, regionaal historisch centrum, streekarchief of regionaal archief en dit geldt ook voor de vonnissen van de zogeheten hoofdbanken. Mocht je op zoek zijn naar de vonnissen van de hogere rechtscolleges, zoals het Hof van Gelre of het Hof van Holland, dan vind je deze bij de voormalige rijksarchieven in de provincie, in dit geval het Gelders Archief en het Nationaal Archief. Voor wat België betreft vind je voornoemde archiefstukken doorgaans bij het Rijksarchief in België, hoewel niet uitgesloten is dat nog niet alles is overgebracht. Ook maken in zowel Nederland als België veel heemkringen en archieven werk van de indexering van deze schepenbankvonnissen.

Rechtspraak na 1795

Vonnissen van de rechtbanken en hogere rechtscolleges vindt men in Nederland bij de voormalige rijksarchieven in de provincie en in België bij het Rijksarchief in België. In zowel Nederland als België kent men een onderscheid tussen drie soorten strafrechters, dit zijn de kantonrechter, welke enkel over overtredingen oordeelt, de politierechter, welke over de kleinere misdrijven oordeelt, vaak als enkelvoudige kamer, en de rechtbank (van eerste aanleg), welke over de zwaardere misdrijven oordeelt, vrijwel altijd als meervoudige kamer. In België heb je daarnaast uiteraard nog het Hof van Assisen, welke in eerste aanleg over de meest ernstige misdrijven oordeelt. In vroeger tijden wilde men de strafrechter ook nog wel aanduiden als “correctionele rechter” of “correctionele rechtbank”, ben je daar van bewust als je naar oudere stukken op zoek gaat.

Het verschilt enorm van rechtbank tot rechtbank welke stukken nog bewaard zijn gebleven. Soms zijn dit enkel de vonnissen, soms ook processen-verbaal van terechtzitting, ook wel audiëntiebladen genoemd. In enkele gevallen zijn zelfs de volwaardige procesdossiers nog in het archief te vinden. In hoofdzaak zijn de stukken van de rechtbanken en hogere rechtscolleges openbaar, 75 jaar na dato van de uitspraak, dat dus op dit moment tot het jaar 1945 strekt. Om het vinden van het juiste vonnis makkelijker te maken, is het handig om een zogenaamde alfabetische klapper of rollijst te raadplegen, waarop men de datum van het vonnis en de naam van de verdachte vindt, op dat moment is de verdachte immers nog niet veroordeeld of juist vrijgesproken.

Gevangenissen

Zowel in Nederland als in België zijn de archieven van diverse gevangenissen bewaard gebleven. In Nederland kent men vaak een vastbladig systeem van grote boeken waarin alle gedetineerden werden genoteerd. Op ieder blad stonden zo’n 5 tot 10 gevangenen ingeschreven en bij iedere inschrijving vind je onder meer de persoonlijke gegevens van de gevangene, waaronder ook zijn signalement, dat je soms echt met een korreltje zout moet nemen, het feit waarvoor hij werd veroordeeld, de datum van het vonnis en de rechtbank die het vonnis heeft gewezen en verder de datum waarop hij werd vastgezet en waarop hij weer werd vrijgelaten.

In België daarentegen kent men meerdere losbladige systemen, waarvan de registers van morele verslaggeving, de bevolkingsregisters, de dagboeken van ingeschreven en uitgeschreven gevangenen en de opsluitingsdossiers van gevangenissen de meest interessante zijn. Deze bronnen bevatten vaak gedetailleerde informatie over de betreffende gevangene, de feiten waarvoor hij werd veroordeeld, de rechtbank die zijn vonnis had uitgesproken en ook informatie over diens gedrag in de gevangenis.

In Nederland en België is men al bezig geweest met de ontsluiting van gevangenisarchieven. In Noord-Brabant kan je het overgrote deel van de gevangenisregisters doorzoeken en voor wat betreft de gevangenissen van Vilvoorde, Leuven-Centraal, Nêufchateau en Tongeren kan je terecht bij het Rijksarchief in België of op de site van Kenneth Booten. Hetgeen dat niet reeds ontsloten is, kan je in Nederland in sommige gevallen op verzoek laten digitaliseren, in andere gevallen en in België moet je hiervoor de studiezaal bezoeken.

Let er wel op dat je je goed inleest in de materie, alvorens zelfstandig in de gevangenisarchieven op onderzoek te gaan. Er hebben in Nederland en België verschillende soorten gevangenissen bestaan, bijvoorbeeld tuchthuizen, arresthuizen, strafgevangenissen, huizen van bewaring, etc. De reden hiervoor is de achterliggende gedachte dat je niet alle soorten gevangenen op één hoop kan gooien. De ene gevangene heeft ernstigere feiten gepleegd en zal langer gedetineerd blijven dan de andere en ook was soms psychiatrische zorg noodzakelijk, zo’n psychiatrisch patiënt zet je niet samen met een kruimeldief. Voor personen in (voorlopige) hechtenis bestonden ook aparte gevangenissen.

Landloperskolonies

Een bijzonder soort “gevangenis” was de landloperskolonie. Hoewel sommige mensen het daadwerkelijk als een opsluiting ervoeren, was het voor velen ook een mogelijkheid tot rehabilitatie en re-integratie in de maatschappij. Landlopers, bedelaars, zwervers en andere armlastigen dus, kwamen dan in een zogeheten “Maatschappij van Weldadigheid” terecht, later werden deze ook aangeduid als landloperskolonies en rijkswerkinrichtingen. De allereerste kolonie werd in 1818 opgericht in het huidige Nederland en de eerste kolonie op het huidige Belgische grondgebied kwam er in 1822. Tegenwoordig bestaan deze kolonies, later rijkswerkinrichtingen geheten, niet meer. Indertijd kende men een aantal varianten van deze kolonies, het een met een meer vrij karakter en het ander met een meer punitief karakter. De inschrijvingsregisters van deze kolonies zijn in Nederland al ontsloten en in België zijn deze binnenkort ook digitaal beschikbaar.

Politiearchieven

Een derde en laatste interessante bron zijn de archieven van de gemeentepolitie. In Nederland zijn er bij diverse lokale en regionale archieven nog zogeheten meldingsrapporten bewaard gebleven, waarin de wachtcommandanten alles noteerden wat er zich de betreffende dag op het bureau van politie of bij de wachtpost afspeelde, bijvoorbeeld een burger die melding deed van een bepaald voorval, een ingesteld strafrechtelijke onderzoek of een verkeersongeluk dat plaatsvond. Van deze meldingsrapporten werd dan een dagelijkse opsomming gemaakt in een zogenaamd dagrapport, welke je ook regelmatig bij diverse lokale en regionale archieven terugvindt. Onder meer van Amsterdam, Tilburg, Amersfoort, Den Haag en Arnhem zijn deze dagrapporten bewaard gebleven.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *